3. Bemiddeling van heiligen is géén Shirk! – Shaykh al-Sayyid Muhammad Alawi al-Makki al-Maliki – Geloofsleer Series

Het doden van moslims begint bij verkettering en de ergste vorm van verkettering is een moslim beschuldigen van afgoderij (shirk) en ongeloof (kufr). Dit is een hele ernstige zaak! De Profeet ﷺ heeft tijdens de afscheidspreek de moslims verboden om elkaar te doden. Een bepaalde kleine groep fanatiekelingen stelt dat het bezoeken van graven van heiligen ongeloof is en het doen van smeekbeden bij hun graven gelijk is aan deelgenoten toekennen aan Allah. Dit gaat zelfs zo ver dat zij de hele (!) Ahlu Sunna Wa l-Jama’ah beschuldigen van afgoderij (shirk). 

Dit artikel toont aan dat de QoranVerzen en Ahadith die over polytheisten gaan niet van toepassing zijn op moslims, en dat bemiddeling niet verboden wordt maar juist bevestigd wordt in de Soennah! Ons begrip van de Ahlu Sunnah is besmet door moderne innovatie zoals het verbod op intercessie of bemiddeling. Bemiddeling is zeker geen shirk, maar daarbij zeggen we dat het afgeraden (makruh) kan worden wanneer iemand extreem onwetend is over zijn religie.  

Wij keren terug naar onze ware geleerden zoals Shaykh Muhammad Alawi al-Maliki, hij behoort tot een van de grootste en meest notabele geleerden van onze tijd. 

 

De kleinzoon van de nobele Profeet ﷺ, de geleerde van Mekka, kleinzoon van de hoofdrechter van het heilige gebied Mekka, meester van de Islamitische wetenschappen, de kenner van Allah, al-Sayyyid Shaykh Muhammad Alawi al-Maliki al-Makki al-Hassani, zei in zijn mafahim tajib an tusahhah – nu beginnen de woorden van de Shaykh:

Oorspronkelijke titel: De bemiddelaar van Shirk

Veel mensen begrijpen de realiteit van bemiddeling verkeerd. Zij trekken haastig de conclusie dat een iedere bemiddelaar afgoderij (shirk) is, dat diegene die op wat voor manier dan ook een bemiddelaar neemt een partner aan Allah heeft toegekend en dat de status van zo’n moslim in dit geval die van de polytheïsten is die zeiden:

“Wij aanbidden hen slechts opdat zij ons zo dicht mogelijk tot Allah brengen.”

(Koran, Sūrat al-Zumar 39:3)

Deze conclusie is incorrect! Het gebruik van deze Vers als bewijs hiervoor is misplaatst. Dit omdat dit nobele vers overduidelijk is zijn veroordeling van de polytheïsten voor hun aanbidding van afgoden als goden naast Allah de Verhevene, en in hun associatie van hen met Hem, bewerend dat hun aanbidding van deze afgoden niets meer is dan een manier om dichter bij Allah te geraken. De kufr (ongeloof) en shirk (deelgenoten toekennen aan Allah) van hun daden is afkomstig van de aanbidding van hun afgoden, en hun geloof dat zij goden zijn naast Allah.

1. Afgoderij in de tijd van de Profeet ﷺ

Wat van groot belang is om hier te melden is dat het voorgaande vers bevestigt dat de polytheïsten niet oprecht waren in hun poging om hun aanbidding van afgoden te rechtvaardigen, door te beweren dat deze hun dichter bij Allah brachten. Als zij oprecht waren in deze bewering, dan zou Allah voor hun Barmhartiger zijn voor hen dan voor hun afgoden, en zouden zij niemand anders dan Hem aanbidden. Echter, Allah verbood de Moslims om de afgoden van de polytheïsten te beledigen met Zijn woorden:

“En bespot niet degenen die zij naast Allah (afgoden) aanroepen, zodat zij (de polytheïsten) niet Allah vijandig zonder kennis bespotten. Op deze wijze hebben Wij aan iedereen gemeenschap hun werk mooi doen toeschijnen. Hierna is hun terugkeer tot hun Heer en Hij zal hen vertellen wat zij plachten te doen.”

(Koran, Sūrat al-A’n`ām 6:108)

Het is overgeleverd van Abdul Razzāq, Abd ibn Hāmid, Ibn Jarīr, Ibn al-Mundhir, Ibn Abī Hātim, Abū al-Sheikh, van Qutāda (moge Allah tevreden met hem zijn) die zei:

“De Moslims vervloekten en scholden de afgoden van de ongelovigen uit, en dus vervloekten en scholden de ongelovigen Allah, de Machtige de Majestueuze, uit. Dus openbaarde Allah: ‘En bespot niet degenen die zij naast Allah (afgoden) aanroepen, zodat zij (de polytheïsten) niet Allah vijandig zonder kennis bespotten.’”

Dit is de reden voor de openbaring van het vers (sabab al-nuzūl), welke de gelovigen met kracht verbiedt om beledigingen te uiten tegen de afgoden die de polytheïsten in Mekka aanbaden, omdat dergelijke beledigingen onvermijdelijk degenen woedend gemaakt zou hebben die in hun hart geloofden dat deze beelden en afgoden, goden waren met het vermogen voordeel of nadeel te brengen.

“Het is hier overduidelijk dat de polytheïsten Allah als veel minder dan hun eigen afgoden beschouwden.”
Deze woede zou hen ertoe leiden om de Gelovigen met dezelfde beledigingen tegen de Ene die zij aanbaden, de Heer der Werelde, tegemoet te komen, en zo schreven zij Hem gebreken toe, hoewel Hij volkomen vrij is van alle gebreken. Nogmaals, als zij daadwerkelijk oprecht waren in hun bewering dat hun aanbidding van afgoden slechts een manier was om dichter bij Allah te geraken, dan zouden zij niet gedurfd hebben Hem te beledigen om [zodoende] de belediging van hun afgoden te wreken. Het is hier overduidelijk dat de polytheïsten Allah als veel minder dan hun eigen afgoden beschouwden.

Dit is ook duidelijk te zien aan de woorden van Allah:

“En als je hun vraagt wie de hemelen en de aarde heeft geschapen en wie die zon en de maan heeft ontworpen, dan zullen zij zeker zeggen: ‘Allah!’”

(Koran, Sūrat al-`Ankabūt 29:61)

Als de polytheïsten daadwerkelijk hadden geloofd dat Allah de Verhevene de enige Schepper is en dat hun afgoden niets hadden geschapen, dan zouden zij Allah aanbeden hebben in plaats van hun afgoden, of zouden zij tenminste meer eerbied hebben voor Allah dan hun eerbied voor hun stenen beelden. Is dit consistent met hun klare laster van Allah, de Machtige de Majestueuze, uit wraak voor hun eigen afgoden tegen Hem? Het is overduidelijk dat dit totaal niet consistent is.

Bovendien is het vers die wij aankaarten niet het enige bewijs dat Allah voor de polytheïsten in minder eerbied gehouden werd; integendeel, er zijn meerderen. Eén daarvan is de verklaring van Allah de Verhevene:

“En zij hebben Allah een deel toebedacht van wat Hij heeft voortgebracht aan gewassen en vee en zij zeiden: ‘Dit is voor Allah,’ volgens hun bewering, ‘en dit is voor onze afgoden.’ Wat dan voor hun afgoden is, dat bereikt niet Allah; en wat voor Allah is, dat bereikt wel hun afgoden. Slecht is wat zij oordelen.”

(Koran, Sūrat al-A’n`ām 6:136)

Indien zij Allah niet in minder eerbied beschouwden dan hun afgoden, zouden zij niet dit vooroordeel tegen Hem hebben gewogen, welke zoals in dit vers door Allah de bestempeling: “Slecht is wat zij oordelen” verdient.

Verder bewijs is de aanroep van Abū Sufyān (moge Allah tevreden met hem zijn), vóór hij tot de Islam bekeerde, “Hubal, verheven zijt Gij!”, zoals overgeleverd door Bukhārī, de afgod genaamd ‘Hubal’ aanroepend, zodat hij misschien op het moment van het conflict [1] de Heer van de Hemelen en de Aarde en Zijn Leger der Gelovigen verpletteren, welke wensten hun afgoden te verpletteren. Dit is een duidelijk voorbeeld van de toestand van de polytheïsten en hoe zij dachten over de afgoden met betrekking op Allah de Heer der Werelden.

Het is van essentieel belang dat dit met daadwerkelijk begrip bevat wordt, omdat te veel mensen hun argumenten erop baseren zonder enig begrip [ervan].

Ziet u dan niet dat wanneer Allah de Moslims de opdracht gaf om in de richting van de Ka’ba te bidden, zij ernaartoe keerden toen zij aanbidden, en het als richting voor het gebed (qibla) namen? De aanbidding was niet gericht tot de Ka’ba, noch is het kussen van de Zwarte Steen iets anders dan het aanbidden van Allah de Verhevene, en het imiteren van de Profeet (vrede en zegeningen zij met hem, zijn familie en zijn metgezellen). Zou er iemand onder de Moslims de intentie hebben gehad één van hen te aanbidden, dan zou hij een polytheïst zijn, net als degenen die afgoden aanbidden.

2. Bemiddelaars zijn essentieel!

Het aanbidden van Allah door middel van bemiddelaars is essentieel en kan niet als shirk worden bestempeld, en er kan niet gezegd worden dat iedereen die een bemiddelaar tussen hem en zijn Heer neemt een mushrik is; als dit wel het geval was, dan zou ieder mens een polytheïst zijn want al onze zaken vereisen bemiddelaars.

De Profeet ﷺ ontving de Koran door de bemiddeling van Gabriël, zo is Jibril de bemiddelaar van de Profeet ﷺ.

“De Profeet ontving de Koran door de bemiddeling van Gabriël!”
En [zo] was de Profeet ﷺ de grootste bemiddelaar van de Sahāba (moge Allah tevreden met hen zijn), omdat zij naar hem toe haastten in zware tijden, klaagden bij hem over hun behoeften en zochten zijn bemiddeling en du`a. In deze tijden zei de Profeet ﷺ nooit tegen hen: “Jullie hebben shirk en kufr begaan! Het is niet toegestaan om bij mij te klagen, noch om wat van mij te vragen. Jullie zullen het zelf aan Allah moeten vragen, want voorwaar Allah is dichterbij jullie dan ik ben!” Integendeel, hij ﷺ stond op en smeekte voor hen, hoewel zij goed wisten dat in werkelijkheid Allah de Schenker is en dat de Beschermer, de Uitreiker en de Gever alleen Allah is. Zij wisten ook dat de Profeet ﷺ hen niets kon geven zonder de toestemming van Allah, en door middel van Zijn Vrijgevigheid. De Profeet ﷺ heeft gezegd:

“Ik ben niets anders dan een verdeler; Allah is degene die schenkt.” [2]

Om die reden wordt dus duidelijk dat het toegestaan en correct is om een gewoon persoon te beschrijven als degene die bevrijdt van pijn en behoeftes verzadigt. Dat wil zeggen, dat hij een bemiddelaar voor hen is. Wat dan te denken van de nobele meester en eminente Profeet ﷺ, de meeste gerenommeerde van de mensheid en de jinn, de onbetwist beste der creatie?

3. De gelovige is een bemiddelaar!

  • Zei de Profeet ﷺ niet:“Hij die een Moslim bevrijdt van pijn, Allah zal hem bevrijden van de pijn van de Dag des Oordeels.” [3]? Dus is de Gelovige een bevrijder van pijn en noodspoed!
  • Heeft hij ﷺ niet gezegd, “Degene die de behoefte van zijn broeder vervult, ik zal bij zijn weegschaal staan (op de Dag des Oordeels), en als zijn goede daden zijn slechte daden niet overtreffen, zal ik voor hem bemiddelen.” [4] Dus de Gelovige is een vervuller van behoeften!
  • Heeft hij ﷺ niet gezegd, “Hij die een Moslim beschermt, Allah zal hem op de Dag des Oordeels beschermen.” [5]?
  • Heeft hij ﷺ niet gezegd, “Waarlijk, Allah heeft tussen zijn schepping diegenen die gezocht worden in tijd van nood.” [6]?
  • Heeft hij ﷺ niet gezegd, “Allah is bezig met het helpen van zijn dienaar, zolang zijn dienaar bezig is met het helpen van zijn broeder.” [7]?
  • Heeft hij ﷺ niet gezegd, “Degene die opkomt voor iemand in nood, Allah schrijft voor hem drieënnegentig zegeningen op.” [8]?

Dus de gelovige verlicht tegenspoed, helpt, beschermt, vervult behoeftes en wordt gezocht in tijden van beproeving. Hoewel in werkelijkheid Allah, de Verhevene en Majestueuze, degene is die helpt, beschermt en behoeftes vervult. Echter, gezien de gelovige als een bemiddelaar in al deze zaken is, is het volledig toepasselijk deze zaken aan hem toe te schrijven!

4. Allah’s gunsten omwille van heiligen!

Er zijn vele Hadīths van de Profeet ﷺ overgeleverd die aantonen dat Allah, Verheven en Majestueus, bestraffingen verlicht van allen die op aarde leven door toedoen van degenen die zijn vergiffenis zoeken, en die Zijn Moskeeën onderhouden, en dat Hij door hun toedoen de massa’s voedt en steunt, en hen beschermt tegen beproevingen en gevaren.

  • Tabarānī overleverde in al-mu`jam al-kabīr, en Bayhaqī in al-sunan, van Mani` al-Daylāmī (moge Allah tevreden met hem zijn) dat de Profeet ﷺ heeft gezegd:“Was het niet omwille van bepaalde dienaren van Allah die Hij voor Hem laat buigen, en bepaalde zuigelingen die Hij laat zogen, en bepaald vee die Hij laat grazen, dan zou Hij Zijn woede op jullie allemaal neerzenden en zou Hij jullie allemaal volledig vernietigen.”
  • Bukhārī overleverde van Sa`d ibn Abī Waqqās (moge Allah tevreden met hem zijn) dat de Profeet ﷺ heeft gezegd: “Is er jullie de overwinning en voedsel gegeven, anders dan omwille van diegenen onder jullie die zwak zijn?”
  • Tirmidhī overleverde van Anas (moge Allah tevreden met hem zijn), dat de Profeet ﷺ heeft gezegd: “Het zou kunnen zijn dat jullie voedsel ontvangen omwille van hem.” [9] Al-Hākim verklaarde deze Hadīth als sahīh.
  • Abdullāh ibn `Umar (moge Allah tevreden met hun beide zijn) overleverde dat de Profeet ﷺ heeft gezegd: “Waarlijk, Allah heeft manschappen die Hij geschapen heeft voor de behoeften van de mensen, die zich naar hen haasten in tijd van nood. Zij zijn degenen die veilig zijn voor de bestraffing van Allah de Verhevene.” [10]
  • Jabīr ibn `Abdullāh (moge Allah tevreden met hem zijn) overleverde dat de Profeet ﷺ heeft gezegd: “Waarlijk, Allah verleent deugdzaamheid aan het kind van een Moslim, en zijn kleinkind, en zijn familie en de familie van zijn buren, omwille van de vroomheid en deugdzaamheid van die Moslim, en zij zijn onder de bescherming van Allah zolang hij onder hen is.” [11]
  • Ibn `Umar (moge Allah tevreden met hem zijn) overleverde dat de Profeet ﷺ heeft gezegd: “Waarlijk, omwille van een vrome Moslim, beschermt Allah zijn honderd buren tegen tegenspoed en onrust.” Ibn `Umar reciteerde toen het volgende vers, “En als Allah niet een deel van de mensen door een ander (deel) zou verstoten, dan zou aarde ten onder gaan.” (Koran, Sūrat al-Baqara 2:251) [12]
  • Een Hadīth is als volgt overgeleverd van Thawbān: [13] “Er zullen onder jullie zeven mannen blijven omwille van wie jullie overwinning, regen en voedsel zullen ontvangen totdat de Zaak van Allah (Dag des Oordeels) aanbreekt.”
  • Ubāda ibn al-Sāmit overleverde dat de Profeet ﷺ heeft gezegd: “De Abdāl [14] van mijn gemeenschap zijn er dertig, omwille van hen ontvangen jullie voedsel, regen en overwinning.”
  • Ubāda zei, “Ik hoop dat al-Hasan [15] één van hen is.” [16] De vier hiervoor genoemde Hadīths zijn vermeld door al-Hāfiz ibn Kathīr in zijn tafsīr van de bovenstaande Koranische vers “En als Allah niet een deel van de mensen..” en zijn geschikt om als bewijs gebruikt te worden, inderdaad vanwege hun omvang wordt de inhoud sahīh.
  • Anas bin Mālik (moge Allah tevreden met hem zijn) overleverde dat de Profeet ﷺ heeft gezegd: “De aarde zal nooit veertig mannen ontnomen worden zoals de vertrouwelijke vriend van Allah (khalīl), [17] omwille van hen worden jullie voorzien van regen en schutting. Iedere keer als er een overlijdt, vervangt Allah een ander in hun plaats.” [18]

5. De meest nobele bemiddelaar is de Profeet Mohammed ﷺ!

De Meest Nobele Bemiddelaar Op de Dag der Opstanding, de Dag van tawhīd, de Dag van Imān, de Dag waarop de Troon tevoorschijn zal komen, zal de hulp van de Meest Nobele Bemiddelaar aan het licht komen: die van de bezitter van de Lofwaardige Standplaats (al-maqām al-mahmūd), degene wiens bemiddeling nooit geweigerd wordt, en degene wiens borg nooit verdreven wordt door Hem die beloofd heeft hem nooit teleur te stellen, of hem te vernederen, of hem te ontmoedigen, of hem te bedroeven vanwege zijn gemeenschap, wanneer de gehele schepping naar hem zoekt en pleit voor zijn bemiddeling, en hij voor zijn Heer staat en niet terugkeert behalve met de verhevenheid, nobelheid en eer geopenbaard aan ons met de woorden van Allah:

“O Mohammed! Hef je hoofd op en bemiddel, jouw bemiddeling zal verhoord worden; en vraag, jouw zal gegeven worden!” Moge de vrede en zegeningen van Allah op hem zijn, en op zijn familie, metgezellen en op iedereen die hen volgt tot aan de Dag des Oordeels. 

Vertaald van het boek ‘Opvattingen die gecorrigeerd dienen te worden’ (mafāhīm yajib ‘an tusahhah), geschreven door de Eminente en Nobele Profetische Telg en Imam van de mensen van de Hijaz, wijlen Shaykh al-Sayyid Muhammad Ibn Alawi al-Maliki al-Makkī al-Hassanī.

Moge Allah hem vergeven en tevreden met hem zijn, hem belonen met zijn oneindige gulheid; en moge Hij ons bijstaan met zijn werken, zodat we Zijn dīn kunnen dienen en de Gemeenschap van zijn Nobele Profeet, vrede en zegeningen van Allah zij met hem.

Amīn.

Noten

[1] Tijdens de slag van Uhud

[2] Overgeleverd door Bukhārī van Mu`awiyya (moge Allah tevreden met hen zijn).

[3] Overgeleverd door Bukhārī en Muslim van Ibn `Umar (moge Allah tevreden met hen beiden zijn).

[4] Overgeleverd door Abu Na`īm van Ibn `Umar (moge Allah tevreden met hen beiden zijn).

[5] Overgeleverd door Bukhārī en Muslim van Ibn `Umar (moge Allah tevreden met hen beiden zijn).

[6] Zie hieronder voor de referentie voor deze Hadīth.

[7] Overgeleverd door Abū Dawūd en anderen, van Abū Hurayra (moge Allah tevreden met hem zijn).

[8] Overgeleverd van Abu Ya’la, al-Bazār en Bayhaqī.

[9] Volledige tekst van de Hadīth: “Er waren twee broers in de tijd van de Profeet ﷺ, waarvan één naar de Profeet ﷺ kwam om kennis te vergaren, terwijl de andere werkte om beiden te onderhouden. De werker vond de situatie oneerlijk en klaagde over zijn broer bij de Profeet ﷺ, die antwoordde: “Het zou zo kunnen zijn dat jullie voedsel ontvangen omwille van hem.”

[10] Overgeleverd door Tabarānī, Abu Na`īm en al-Wadā’i met een goede (hasan) overleveringsketen.

[11] Overgeleverd door ibn Jarīr en door Tabarī in zijn tafsīr.

[12] Overgeleverd door Tabarānī

[13] Een dienaar van de Profeet ﷺ.

[14] De Vervangers, uitleg van hun status is te vinden in de Hadīth hieronder, overgeleverd door Anas ibn Mālik.

[15] Al-Hasan al-Basrī, één van de Tabi`īn.

[16] Overgeleverd door Tabarānī.

[17] De Profeet Ibrāhīm (vrede zij met hem).

[18] Overgeleverd door Tabarānī. Dit zijn de Abdāl (Vervangers).

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op de website Sunni.nl.

You may also like...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *