8. Aqeedah Tahawiyyah in het Nederlands en het Arabisch – Geloofsleer Series

Leestijd: 28 minuten

Aqeedah Tahawiyyah is het meest betrouwbare en gezaghebbende geloofsboek in de Soennitische Islam. Het is betrouwbaar omdat het boek ons met massatransmissie heeft bereikt. Het is gezaghebbend omdat het een volledige overeenstemming is over de inhoud. Het is geschreven in de beginperiode van Islam gebaseerd op de geloofsleer van Imam Abu Hanifa. Naast dat Imam Abu Hanifa een van de vier grote Imams is, was hij ook een geleerde in de geloofsleer (aqeedah). 

De geloofsleer zoals verwoord door Imam Tahawi is 100% hetzelfde als de Ash’ari of Maturidi aqeedah. Het verschil zit in de benadering van de geloofspunten. Imam al-Tahawi stelt op basis van teksten uit de Qoran en Soennah (al-asar) wat moslims geloven zonder verdere argumentatie of analyse te geven. Deze benadering wordt daarom ook wel de athariyyah madhab genoemd. Terwijl de Ashari en Maturidi (die bij elkaar ahle sunnah wa l djamah genoemd worden) juist alles bewijzen en onderbouwen. – Inleiding Sahih.nl

DEEL 1: “INLEIDING”

بسم الله الرحمن الرحيم وبه نستعين ، الحمد لله رب العالمين
In naam van Allah de Erbarmste de Barmhartigste

قال العلامة حجة الإسلام أبو جعفر الوراق الطحاوي بمصر رحمه الله ‏
Lof zij aan Allah, de Heer der werelden. Imam Hudjatu-l Islam Abu Dja’far at-Tahawi (moge Allah’s wel behagen op hem zijn), zegt het volgende over zijn aqidah verhandeling:

هذا ذكر بيان عقيدة أهل السنة والجماعة ، على مذهب فقهاء الملة ‏:‏ أبي حنيفة النعمان بن ثابت الكوفي ، وأبي يوسف يعقوب بن إبراهيم الأنصاري ، وأبي عبدالله محمد بن الحسن الشيباني رضوان الله عليهم أجمعين ؛ وما يعتقدون من أصول الدين ، ويدينون به رب العالمين‏
“Deze verhandeling is in overeenstemming met de mathhab (school) van Abu Hanifah Nu’man Bin Thalib al-Kuffi, (zijn leerlingen) Abu Yusuf Ya’qub Bin Ibrahim al-Ansari en Abu ‘Abdullah Muhammad Bin Hasan ash-Shaybani (moge Allah’s wel behagen met hen zijn), met hun geloof (iman) en geloofsfundamenten, tevens is het de verklaring van Ahli Sunnah wel Djama’ah `Aqidah.

DEEL 2: “GELOOF IN ALLAH DE VERHEVENE”

قول في توحيد الله معتقدين بتوفيق الله : إن الله واحد لا شريك له
Wat betreft de eenheid van Allah en ons standvastig geloof dat Allah ons tot succes zal leiden, zeggen wij: Allah is één en Hij heeft geen deelgenoten.

ولا شيء مثله
Niets lijkt op Hem.

ولا يعجزه شيء
Niets kan Hem onderdanig maken.

ولا إله غيره
Er is geen godheid buiten Hem.

قديم بلا ابتداء دائم بلا انتهاء،
Hij is het beginloze “Qadiem” (Allah heeft geen begin), en eindeloze “Daaim” (Allah heeft geen einde) (Zijn bestaan) is (dus) ononderbroken.

لا يفنى ولا يبيد
Allah’s bestaan kan op geen enkel manier eindigen of niet-zijn.

ولا يكون إلا ما يريد
Alleen Zijn wil geschiedt.

لا تبلغه الأوهام ولا تدركه الأفهام
Fantasieën (awham) kunnen Hem niet bereiken en gedachten (afhaam) kunnen Hem niet vatten.

ولا يشبه الأنام
Bestaande wezens (anam) kunnen niet op Hem lijken.

خالق بلا حاجة، رازق بلا مؤنة
Hij schept zonder behoefte aan deze te hebben en voorziet hen van levensonderhoud.

مميت بلا مخافة، باعث بلا مشقة.
Allah doodt zonder vrees en Hij schept zonder enige moeite.

ليس بعد خلق الخلق استفاد اسم الخالق ، ولا بإحداث البرية استفاد اسم الباري‏
Allah heeft niet de naam “Khaliq” gekregen op het moment dat Hij de mensen en alle andere dingen heeft geschapen en Hij heeft ook niet de naam “Baari” (Schepper van de mensen en andere wezens) gekregen op het moment dat Hij ze geschapen heeft. Hij was daarvoor al “Khaaliq” en “Baari”.

له معنى الربوبية ولا مربوب ، ومعنى الخالقية ولا مخلوق
Allah is voorzien van de eigenschap als “Rabb” (Heer, die laat groeien, verzorgt en opvoedt zonder iets er voor terug te vragen) Hij kan niet “marbub” (groot gebracht, verzorgd en opgevoed) zijn. Hij is “Khaliq” maar niet “makhluq” (later geschapen).

وكما أنه محيي الموتى بعدما أحياهم استحق هذا الاسم قبل إحيائهم ، كذلك استحق اسم الخالق قبل إنشائهم
Dus Allah heeft niet de naam “Muhyi-l mawt” (doet de doden herleven) gekregen op het moment dat Hij de levende wezens doet herleven. Op dezelfde manier is Hij niet pas “Khaliq” op het moment dat Hij deze voor het eerst maakt, daarentegen is Allah daarvoor al degene die de doden doet herleven en hen scheppen.

ذلك بأنه على كل شيء قدير ، وكل شيء إليه فقير ، وكل أمر عليه يسير ، لا يحتاج إلى شيء ،‏ ليس كمثله شيء ، وهو السميع البصير ‏‏
Dit alles is vanwege het feit dat Allah almachtig (Qadir) over alles is, alles van Hem afhankelijk is en alles onder Zijn bevel is. Allah heeft geen behoefte aan wie en wat dan ook en Allah heeft geen gelijkenis. Hij is “as-Sami’” (alles ziende) en “al-Basir” (alles horende).

خلق الخلق بعلمه
Allah heeft alle schepsels geschapen in overeenstemming met Zijn “ilm” (kennis).

وقدر لهم أقدارا
Allah heeft de “qadar” (voorbeschikking) van de schepsels bepaald.

وضرب لهم آجالا
Allah heeft ook hun “ajjal” (aangewezen tijd van de dood) bepaald.

لم يخفَ عليه شيء قبل أن يخلقهم ، وعلم ما هم عاملون قبل أن يخلقهم
(Voordat de schepsels geschapen werden) was niets van hun handelingen aan Allah verborgen. Allah wist voorzeker al van te voren, voor hun schepping, alles wat ze zouden doen.

وأمرهم بطاعته ، ونهاهم عن معصيته
Daarop heeft Allah hen bevolen Hem te gehoorzamen en hen verboden ongehoorzaam aan Hem te zijn.

وكل شيء يجري بتقديره ومشيئته ، ومشيئته تنفذ لا مشيئة للعباد إلا ما شاء لهم ، فما شاء لهم كان ، وما لم يشأ لم يكن
Alles komt tot stand met Zijn “qadar” (voorbeschikking) en Zijn “mashiyah” (wil en wens). (Over alles wat geschiedt) is alleen Zijn “mashiyah” geldig. Buiten Zijn “mashiyah” kunnen de dienaren geen eigen wens hebben. Datgene wat Allah wil en wenst geschiedt en datgene wat Hij niet wil en wenst geschiedt niet.

يهدي من يشاء ويعصم ويعافي فضلا ويضل من يشاء ويخذل ويبتلي عدلا
Met Zijn goedertierenheid (fadl) brengt Allah degene die Hij wil op het rechte pad (Islam), beschermt hem en geeft hem gezondheid. En met zijn rechtvaardigheid (’adl) laat Hij degene die Hij wil in dwaling.

وكلهم يتقلبون في مشيئته بين فضله وعدله
Dit (handelen van de mens en de jinn) is tussen de goedertierenheid (fadhl) en rechtvaardigheid (’adalah) van Allahs wil (mashiyyah).

وهو متعال عن الأضداد والأنداد
Allah is vrij van en verheven boven alles wat tegengesteld aan Hem kan zijn en gelijkenis met hem kan vertonen.

لا رادَّ لقضائه ، ولا معقب لحكمه ، ولا غالب لأمره
Er is niets dat zijn raadsbesluit (qadha’) kan verwerpen, Zijn wet (hukm) kan uitstellen en Zijn bevel (amr) kan overweldigen.

آمنا بذلك كله ، وأيقنا أن كلا من عنده
Wij geloven zonder enig twijfel in al deze dingen en wij zijn tot conclusie gekomen dat alles door Hem tot stand komt.

DEEL 3: “GELOOF IN DE PROFEETSCHAP VAN MUHAMMAD”

وأن محمدا عبده المصطفى
Muhammad is Zijn uitverkoren dienaar (’abduhu-l mustafa).

ونبيه المجتبى ، ورسوله المرتضى ، وأنه خاتم الأنبياء ، وإمام الأتقياء ، وسيد المرسلين ، وحبيب رب العالمين
Hij is Zijn voortreffelijke profeet (nabihu-l mudjtaba), Hij is Zijn gezant waar Hij tevreden over is (rasuluhu-l murtadha), Hij is de zegel der profeten (khatamu-l anbiya’), Hij is de voorganger van degenen die zich van verre houden van het kwade (Imaamul Attaqija’), Hij is de heer der Gezanten (sayyidu-l mursalin), en Hij is de geliefde van de Heer der Werelden (habibu-l Rabbil ‘alamien).

وكل دعوى النبوة بعده فغَيٌّ وهوى
Na zijn profeetschap zijn alle beweringen omtrent een profeetschap niets anders dan loze beweringen van mensen die op het verkeerde spoor zijn en een slaaf van hun eigen ego zijn.

وهو المبعوث إلى عامة الجن ، وكافة الورى ، بالحق والهدى ، وبالنور والضياء ‏
Hij is de profeet die gezonden is voor de gehele mensheid en de djin’s (”geesten”). Hij is de Gezant der beide werelden (rasulu-l thiqalayn) die de Haqq, Huda, Nur en Dhiya (namen van de Qur’an die resp. de Waarheid; de Waarheid en leidraad voor de Waarheid; het licht; het licht en de Verlichting betekenen) met zich heeft meegebracht.

DEEL 4: “GELOOF IN DE QUR’AN”

وإن القرآن كلام الله ، منه بدا بلا كيفية قولا ، وأنزله على رسوله وحيا ، وصدقه المؤمنون على ذلك حقا ، وأيقنوا أنه كلام الله تعالى بالحقيقة
(We zeggen) dat de Qur’an het Woord van Allahu Ta’ala (Kalamu-llah) is. Het is uit Hem, zonder dat we naar het “hoe” mogen vragen als woord gekomen. (Vervolgens) heeft Hij het aan Zijn profeet (Muhammad) geopenbaard. (En tenslotte) hebben de mu’mins (gelovigen) het als de Waarheid bevestigd (met hun hart en hun tong). En ze zijn tot de conclusie gekomen dat ze definitief in de Qur’an geloven als het ware Woord van Allah.

فمن سمعه فزعم أنه كلام البشر فقد كفر ، وقد ذمه الله وعابه ، وأوعده بسقر ، حيث قال تعالى ‏:‏ ‏(‏ سأصليه سقر ‏)‏
Als iemand naar de Qur’an luistert en zegt dat het de woorden van een mens is, valt hij in het ongeloof (kufr). Allahu Ta’ala heeft zulke mensen verweten, hun beweringen afgekeurd en hen bedreigd met de Hel: “Ik zal hem in de Hel werpen”.

فلما أوعد الله بسقر لمن قال ‏:‏ ‏(‏ إن هذا إلا قول البشر ‏)‏ علمنا وأيقنا أنه قول خالق البشر ، ولا يشبه قول البشر ‏.‏
Over degene die over de Qur’an zegt: “Dit is niets anders dan het woord van een sterveling” (Muddathir: 25), heeft Allahu Ta’ala hem bedreigd met de Hel en hem gerekend tot de mensen van de Hel. Hieruit maken we op dat de Qur’an het woord van de Schepper voor de mensen is en dat de woorden van de mensen nooit op de woorden van de Qur’an kunnen lijken.

ومن وصف الله بمعنى من معاني البشر فقد كفر ، فمن أبصر هذا اعتبر ، وعن مثل قول الكفار انزجر ، وعلم أنه بصفاته ليس كالبشر
Als iemand Allah karakteriseert met menselijke eigenschappen en begrippen valt hij definitief in het ongeloof. Degene die dit realiseert zal een voorbeeld daaraan nemen en hij zal zich dan distancieren van zulke beweringen van de ongelovigen. Als resultaat zal hij begrijpen dat vanwege het feit dat Allah eigenschappen heeft ook niet op de mens hoeft te lijken.

DEEL 5: “HET ZIEN VAN ALLAH (IN AKHIRAH)”

والرؤية حق لأهل الجنة بغير إحاطة ولا كيفية ، كما نطق به كتاب ربنا ‏:‏ ‏(‏ وجوه يومئذ ناضرة إلى ربها ناظرة ‏)‏ ، وتفسيره على ما أراده الله تعالى وعَلِمَه ،
De waarheid is dat de lieden van het paradijs hun Heer zullen zien: (Nederlandse betekenis) “(Sommige) aangezichten zullen te dien dage klinkende zijn en naar hun Heer kijken”. (Qiymah: 22.23). We weten niet hoe dat is en we kunnen het ook niet met woorden uitleggen. De uitleg (tafsir) van deze ‘ayaat is alleen bij Allahu Ta’ala’s Wil en Kennis.

وكل ما جاء في ذلك من الحديث الصحيح عن الرسول صلى الله عليه وسلم فهو كما قال ، ومعناه على ما أراد لا ندخل في ذلك متأولين‏ بآرائنا ، ولا متوهمين بأهوائنا ، فإنه ما سلم في دينه إلا من سلَّم لله عز وجل ولرسوله صلى الله عليه وسلم ، ورَدَّ عِلْم ما اشتبه عليه إلى عالمه
Op dezelfde manier is de betekenis van de betrouwbare overleveringen (hadithu-s Sahih) over dit onderwerp zoals de Profeet het bedoeld en gezegd heeft. Dit onderwerp kunnen we niet met ons inzicht interpreteren (ta’wil) of vermoeden. Want men staat op godsdienstige zaken pas stevig in zijn schoenen als men zich aan (de wil van) Allahu Ta’ala en Zijn Gezant onderwerpt en de zaken die niet zo duidelijk voor hem zijn verwijst naar personen die het weten.

ولا يثبت قدم الإسلام إلا على ظهر التسليم والاستسلام ، فمن رام عِلْمَ ما حُظِر عنه علمه ، ولم يقنع بالتسليم فهمه ، حجبه مرامه عن خالص التوحيد ، وصافي المعرفة ، وصحيح الإيمان ، فيتذبذب بين الكفر والإيمان ، والتصديق والتكذيب ، والإقرار والإنكار ، موسوسا تائها ، زائغا شاكا ، لا مؤمنا مصدقا ، ولا جاحدا مكذبا
Het bestaan van de Islam is alleen mogelijk door overgave en gehoorzaamheid (aan Allah en Zijn Profeet). In dat geval kan een ieder, die verlangt om verboden dingen (namelijk de zaken in de Qur’an en de ahadieth die niet met de rede op te lossen zijn) te leren, vervolgens niet te vrede is (met zij interpretatie (ta’wil) en zich tenslotte daarom niet overgeeft aan de dingen die heel duidelijk zijn voor hem, weerhouden worden van de pure tawhid (monotheisme), de schone kennis en het ware geloof (iman). Op dat moment zal hij wankelen tussen “kufr” (ongeloof) en “iman” (geloof); tussen “tasdiq” (bevestiging met het hart) en “takthib” (verloochenen met het hart) en tussen “ikrar” (betuigen met de tong) en “inkar” (verloochenen met de tong) als een aarzelend, verstrooid en argwanende persoon, die noch een overtuigde mu’min noch een ontkennende leugenaar (ongelovige) is.

ولا يصح الإيمان بالرؤية لأهل دار السلام لمن اعتبرها منهم بوهم ، أو تأولها بفهم ، إذا كان تأويل الرؤية وتأويل كل معنى يضاف إلى الربوبية بترك التأويل ولزوم التسليم ، وعليه دين المسلمين ‏‏
Het is niet juist iemand te geloven die beweert dat de “ru’yat-u-llah” (het geloof in het feit dat (sommige) lieden van het paradijs Allah zullen zien) alleen plaats zal vinden door een denkbeeldige voorstelling of dit interpreteert (ta’wil). Want de ta’wil van zowel de “ru’yat-ullah”, als de betekenis die “Ululiyyah” (godheid zijn van Allah ) heeft, wordt alleen bereikt door het verlaten van ta’wil en door zich vast te klampen aan de overgave aan Allahs wil. De godsdienst, die de profeten verkondigden, rustten ook hier op (dus ta’wil vermijden en volledige overgave aan datgene dat verkondigd wordt).

ومن لم يتوَقَّ النفي والتشبيه زل ولم يصب التنزيه ، فإن ربنا جل وعلا موصوف بصفات الوحدانية ، منعوت بنعوت الفردانية ، ليس في معناه أحد من البرية
Als iemand zich niet hoedt tegen het ontkennen van Allahs Eigenschappen (nafiy) en het geloven dat Allah gelijkenis vertoont met Zijn schepsels (tashbih), dan is hij op het verkeerde pad en hij zal nooit in het “tanzih” (Allah geen gelijkenis toeschrijven met Zijn schepsels) geloven. Want onze Heer (Verheven zij Hij) is gekarakteriseerd met de “Wahdaniyyah” Eigenschap (Allahs eenheid in Zijn Wezen (Zat) (eigenschappen die alleen Allah heeft) en – afhankelijk met Zijn “Fardaniyah” eigenschap (Allahs eenheid in Zijn Werken (Fi’il) (eigenschappen die we ook bij andere schepsels, tot een bepaalde mate aantreffen). Geen van de schepsels heeft een eigenschap die Hij heeft.

وتعالى عن الحدود والغايات ، والأركان والأعضاء والأدوات ، لا تحويه الجهات الست كسائر المبتدعات‏ ‏
Allah is vrij van begrenzingen, ophouden te bestaan, onderhevig zijn aan wetten, ledematen en gebruik van instrumenten. De drie dimensie die de schepsels omgeeft, omgeeft Allah niet.

DEEL 6: “GELOOF IN DE HEMELREIS”

والمعراج حق ، وقد أسرى بالنبي صلى الله عليه وسلم ، وعرج بشخصه في اليقظة إلى السماء ، ثم إلى حيث شاء الله من العلا ، وأكرمه الله بما شاء ، وأوحى إليه ما أوحى ، ‏(‏ ما كذب الفؤاد ما رأى ‏)‏ فصلى الله عليه وسلم في الآخرة والأولى ‏.‏ ‏‏
De “miradj” (de hemelreis) heeft echt plaats gevonden. Rasul-lullah (sas) heeft de “Isra’” (nachtelijkereis) gemaakt. Terwijl hij in een wakkere toestand was, is hij (zowel) lichamelijk (als geestelijk)de hemelen opgestegen. Vervolgens is hij naar bepaalde verheven plaatsen die Allah wenste gebracht. Allah heeft hem daaronthaald met dingen (giften) die Hij wenste en heeft aan zijn dienaar geopenbaard wat Hij openbaarde (Allah heeft hem hier op aarde en in het hiernamaals geprezen en verheven).

DEEL 7: “GELOOF IN HAWD, SHIFA’A, MITHAQ”

والحوض الذي أكرمه الله تعالى به غياثا لأمته حق ‏.‏
De “hawdh” (de naam van een rivier of een meer in het paradijs), die Allahu Ta’ala aan de ummah (gemeenschap) van Rasul-lullah (sas) heeft geschonken, is waar en waarheid (haq)

والشفاعة التي ادخرها لهم حق ، كما روي في الأخبار ‏.‏
De shafa’ah (voorspraak), die Allah aan de ummah van Rasul-lullah (sas) gereserveerd heeft en het in de ahadith verteld wordt, is waar en waarheid.

والميثاق الذي أخذه الله تعالى من آدم وذريته حق ‏.‏ ‏
De “mithaq” (het woord die Allah van de zielen van de nakomelingen van Adam (sas) heeft gekregen omtrent zijn Heer (Rabb) zijn) is waar en waarheid.

DEEL 8: “GELOOF IN DE ILM VAN ALLAH”

وقد علم الله تعالى فيما لم يزل عدد من يدخل الجنة ، وعدد من يدخل النار جملة واحدة ، فلا يزاد في ذلك العدد ولا ينقص منه
Allahu Ta’ala weet in het oneindige het totaal aantal mensen die naar het paradijs en die naar de hel zullen gaan. Dit getal kan noch toenemen noch afnemen.

وكذلك أفعالهم فيما علم منهم أن يفعلوه ، وكلٌّ ميسر لما خلق له
Op dezelfde manier weet Allahu Ta’ala in het oneindige de werken, woorden en alle bewegingen van de mensen in hun geheel. Allah geeft de mogelijkheid dat iedereen het werk kan doen dat voor hem is geschapen.

DEEL 9: “GELOOF IN DE VOORTBESCHIKKING”

وأصل القدر سر الله تعالى في خلقه ، لم يطلع على ذلك ملك مقرب ولا نبي مرسل
De grondslag van “qadar” (voorbeschikking) is het geheim (sirr) die Allahu Ta’ala in zijn Schepping heeft verstopt. Noch de ” malak-i muqarrab” (de engel die het ” dichtst” bij Allah en Zijn Openbaring is), noch de “nabiyyi-l mursal” (profeten die een shari’ah (wet) hebben meegekregen) zijn hierover (namelijk de sirr) geïnformeerd of op de hoogte gesteld.

والتعمق والنظر في ذلك ذريعة الخذلان ، وسلم الحرمان ، ودرجة الطغيان ، فالحذر كل الحذر من ذلك نظرا وفكرا ووسوسة ، فإن الله تعالى طوى علم القدر عن أنامه ، ونهاهم عن مرامه ، كما قال الله تعالى في كتابه ‏:‏ ‏(‏ لا يسأل عما يفعل وهم يسألون ‏)‏‏ ‏
Zich verdiepen in en zich verbeeldingen maken over dit onderwerp is de oorzaak van mislukking, de weg die naar dwaasheid en verdorvenheid leidt. Wees daarom gewaarschuwd en doe afstand van elk standpunt, gedachte en mening (die leiden tot de verdieping in qadar zaken). Want Allahu Ta’ala heeft de qadar wetenschap voor de mensen verborgen gehouden en hen verboden pogingen te ondernemen om kennis over qadar zaken op te doen, zoals Allahu Ta’ala in Zijn Boek bevolen heeft: (Nederlandse betekenis)”Hij (Allah) kan niet ondervraagd worden omtrent hetgeen Hij doet maar zij (schepselen: de mensen en de dijins) zullen worden ondervraagd ” (al Anbiya’23).

فمن سأل ‏:‏ لِمَ فعل ‏؟‏ ‏ فقد رد حكم الكتاب ، ومن رد حكم الكتاب كان من الكافرين ‏.
In het geval dat iemand vraagt waarom Allah iets zo gemaakt heeft, verwerpt het oordeel van het Boek. En degene die het oordeel van het Boek verwerpt wordt tot de ongelovigen (kafirin) gerekend.

فهذا جملة ما يحتاج إليه من هو منور قلبه من أولياء الله تعالى ، وهي درجة الراسخين في العلم ؛ لأن العلم علمان ‏:‏ علم في الخلق موجود ، وعلم في الخلق مفقود ،
Dit is alles wat de geliefden van Allahu Ta’ala (awliya Allah), wiens hart gevuld zijn met licht (nur), nodig hebben, Dit is (ook) het niveau van degenen die gespecialiseerd zijn in de wetenschap. Want wetenschap is tweelerlei; het eerste is de wetenschap die aanwezig is onder de schepsels en het andere is de wetenschap die niet aanwezig is onder de schepsels.

فإنكار العلم الموجود كفر ، وادعاء العلم المفقود كفر ، ولا يثبت الإيمان إلا بقبول العلم الموجود وترك طلب العلم المفقود
Het ontkennen van de aanwezige wetenschap (al ilm-i mawdjud: alle godsdienstige wetten) en het maken van aanspraak op de aanwezigheid van de verborgen wetenschap (al ‘ilm-i mafqud: de wetenschap die alleen bij Allah bekend is, hier is dit de qadar) is ongeloof (kufr). Het geloof (iman) is alleen mogelijk door het accepteren van al- ilm-i mawdjud en door het verlaten van al-ilm-i mafqud.

ونؤمن باللوح والقلم ، وبجميع ما فيه قد رقم ، فلو اجتمع الخلق كلهم على شيء كتبه الله تعالى فيه أنه كائن ليجعلوه غير كائن لم يقدروا عليه ، ولو اجتمعوا كلهم على شيء لم يكتبه الله تعالى فيه ليجعلوه كائنا لم يقدروا عليه
Wij geloven in de “lawh” (”de plaats” waar qadar wordt geschreven), in de “qalam” (”de pen” die de qadar schrijft) en alles wat in “lawh” is opgeschreven. Als alle schepsels bij elkaar zouden komen en ze zouden proberen datgene wat Allah heeft opgeschreven, dat zou moeten plaatsvinden, tegen te houden dan zou hen dat nimmer lukken. Hetzelfde geldt ook voor datgene wat Allah heeft opgeschreven, dat niet zou mogen plaatsvinden. Het zou de schepsels allen tezamen nimmer lukken dit wel te laten gebeuren, als ze het zouden proberen te doen.

جف القلم بما هو كائن إلى يوم القيامة ، وما أخطأ العبد لم يكن ليصيبه ، وما أصابه لم يكن ليخطئه
Alles wat tot de Dag des Oordeels (yawmu-l qiyamah) zal gebeuren heeft de qalam opgeschreven en voltooid. Iets dat de dienaar niet zal overkomen, zal hem dat ook niet treffen. Iets dat hem zal overkomen zal hem dan ook treffen.

وعلى العبد أن يعلم أن الله قد سبق علمه في كل كائن من خلقه ، فقدر ذلك تقديرا محكما مبرما ، ليس فيه ناقض ولا معقب ، ولا مزيل ولا مغير ، ولا ناقص ولا زائد من خلقه في سماواته وأرضه ، ‏)
Wat betreft de dienaar, hij moet weten, dat alles wat ontstaat t.g.v. de schepsels, Allahs kennis voor gaat. (De dienaar behoort te weten dat Allah deze kennis) met Zijn Wil (mashiyah) op een vaste (muhkam) en onvermijdelijke (mubram) manier heeft voorbeschikt. Deze (voorbeschikking die op Zijn eeuwige kennis gebaseerd is) kan nooit door de schepsels, hier op aarde of in het hiernamaals, vertraagt, verwijderd, ongedaan gemaakt, afgenomen of toegenomen worden.

وذلك من عقد الإيمان وأصول المعرفة ، والاعتراف بتوحيد الله تعالى وربوبيته ، كما قال تعالى في كتابه ‏:‏ ‏(‏ وخلق كل شيء فقدره تقديرا ‏)‏ ، وقال تعالى ‏:‏ ‏(‏وكان أمر الله قدرا مقدورا
Deze (houding van de dienaar) is vanwege de afspraak die hij betreffende zijn geloof heeft gemaakt (iman), en door zijn kennis die hij over de fundamenten van de godsdienst heeft, door zijn belijdenis die hij in Allahs Rububiyyah (Allahs Rabb zijn) heeft en vanwege zijn tawhid eigenschappen. Vandaar dat Allahu Ta’ala het volgende zegt in de Qur’an: (Nederlandse betekenis ): “Hij heeft elk ding geschapen en daarvoor een maat bepaald” (Furqan/2) en “Allahs gebod is een Raadsbesluit (qadar) dat besloten is ” (Ahzab/38).

فويل لمن صار لله تعالى في القدر خصيما ، وأحضر للنظر فيه‏ قلبا سقيما ، لقد التمس بوهمه في محض الغيب سرا كتيما ، وعاد بما قال فيه أفاكا أثيما
O wee degene die zich in qadar zaken vijandig opstelt tegenover Allahu Ta’ala en zijn zieke hart als fundament voorbereid om zijn mening te ondersteunen. Zo’n iemand heeft met zijn illusies betreffende het onderzoek naar het ongeziene wetenschap (hier wordt qadar bedoeld) gebruikt, zich toegelegd op het verborgen geheim (sirr) (van Allah) en door zijn gedachten heeft hij openbaar gemaakt. Hij heeft een lelijke lastering begaan. Door het verklaren van zijn gedachten is hij hetzelfde als een leugenaar die lastert.

DEEL 10: “GELOOF IN DE ARSH EN KURSI”

والعرش والكرسي حق ، وهو مستغن عن العرش وما دونه ، محيط بكل شيء وفوقه ، وقد أعجز عن الإحاطة خلقه
(Zoals Allah het in de Qur’an bericht heeft) is “Arsh” en “Kursi” de waarheid (haqq). Allah, die Verheven is, heeft geen behoefte aan de Arsh of wat lager daaraan is. Allah heeft alles inclusief de Arsh, die boven alles zit, “omgeven” (fawqa). Het woord “omgeven” is de interpretatie van het woord dat Allah in de Qur’an als “fawqa” gebruikt). Allah heeft met Zijn ” fawka” de schepsels insolvent (a’djiz) gemaakt.

DEEL 11: “GELOOF IN DE ENGELEN, PROFETEN, BOEKEN ETC”

ونقول إن الله اتخذ إبراهيم خليلا ، وكلم الله موسى تكليما ، إيمانا وتصديقا وتسليما
Wij zeggen vanwege ons iman (geloof) , (die gevormd wordt door) bevestiging met het hart (tastiq) en overgave (aan Allahs wil) (taslim), dat Allahu Ta’ala Ibrahim (a.s) als vriend (Khalil) heeft genomen en met Musa (a.s) heeft gesproken.

ونؤمن بالملائكة والنبيين والكتب المنزلة على المرسلين ، ونشهد أنهم كانوا على الحق المبين ‏.‏
Wij geloven is de engelen (malaikah), de profeten (nabiyyin) en de Boeken (kutub) die aan de gezanten (mursalin) zijn geopenbaard en wij betuigen dat (de komst van) de profeten op klaarheldere waarheid (haqqa-l mubin) berust.

ونسمي أهل قبلتنا مسلمين مؤمنين ، ما داموا بما جاء به النبي صلى الله عليه وسلم معترفين ، وله بكل ما قاله وأخبر مصدقين
Ahl-i Qiblah (de mensen die in de richting van de Qiblah de salat verrichten) beschouwen we als muslim en mu’min zolang ze alles bevestigen wat de Profeet (sas) (van Allah) heeft gebracht (de Qur’an), zelf heeft gezegd en van hem is bericht (ahadith).

DEEL 12: “DE QUR’AN”

ولا نخوض في الله ، ولا نماري في دين الله
Wij speculeren niet (over zaken die) over Allah gaan. En wij discussiëren ook niet over Zijn godsdienst (Islam).

ولا نجادل في القرآن ، ونشهد أنه كلام رب العالمين ، نزل به الروح الأمين ، فعلمه سيد المرسلين ، محمدا صلى الله عليه وسلم ، وهو كلام الله تعالى لا يساويه شيء من كلام المخلوقين ، ولا نقول بخلقه ، ولا نخالف جماعة المسلمين
Wij bestrijden elkaar niet over de Qur’an. Wij weten dat de Qur’an het Woord van de Heer der Werelden is. Hij heeft het aan Ruhu-l amin (Djabrail (a.s) nedergezonden en aan de Heer der Profeten (Muhammad (sas) geleerd. Verder weten we ook dat Allahs Woord geen enkel gelijkenis vertoont met de woorden van de geschapenen. Wij geloven niet dat de Qur’an geschapen is en op dit punt opponeren we de muslim gemeenschap (ahl-i Sunnah wal Djama’ah) niet.

DEEL 13: “WEERLEGGING VAN DE MURJIA”

ولا نقول ‏:‏ لا يضر مع الإيمان ذنب لمن عمله
Wij zeggen niet: “Zolang iemand iman (geloof) heeft, zal geen van de zonden (inclusief kufr) hem schaden.”

نرجو للمحسنين من المؤمنين أن يعفو عنهم ، ويدخلهم الجنة برحمته ، ولا نأمن عليهم ، ولا نشهد لهم بالجنة ، ونستغفر لمسيئهم ، ونخاف عليهم ولا نقنِّطهم
Wij hopen dat degene onder de mu’mins, die goede daden verrichten, door Allah zullen worden vergeven en vanwege Zijn Barmhartigheid (Rahman) hen in het paradijs (djannah) zal toelaten. Wij hebben geen enkel zekerheid dat ze stellig vergeven zullen worden. En wij getuigen ook niet dat ze (direct) in het paradijs zullen toegelaten worden. Wij smeken om vergiffenis voor de zondaren en vrezen voor hun gevolg maar we geven de hoop voor hen niet op.

والأمن والإياس ينقلان عن ملة الإسلام ، وسبيل الحق بينهما لأهل القبلة
Iemand die (vanwege zijn goede daden) zekerheid (amin) heeft (in het paradijs te komen) en iemand die de hoop (ya’s) (op Allahs barmhartigheid) opgeven heeft en daarin gelooft, zijn beiden verre van de (Islamitische) gemeenschap (m.a.w. ze vallen beide in ongeloof). De juiste weg van Ahl-i Qiblah ligt tussen (amin en ya’s).

ولا يخرج العبد من الإيمان إلا بجحود ما أدخله فيه‏
Een dienaar kan pas zijn geloof verliezen, als hij de godsdienstige zaken ontkent, die hem buiten de grenzen van het geloof brengen.

DEEL 14: “WAT IS IMAAN?”

والإيمان ‏:‏ هو الإقرار باللسان ، والتصديق بالجنان
Het geloof (iman) bestaat uit het betuigen met de tong (iqrar) en het bevestigen met het hart (tasdiq) (van de geloofspincipes).

و جميع ما صح عن رسول الله صلى الله عليه وسلم من الشرع والبيان كله حق
Alles wat Allahu Ta’ala in de Qur’an heeft geopenbaard, en alles wat van Rasul-lullah (sas) als betrouwbaar (sahih) is doorgegeven, die samen de Shari’ah (canonieke wet van de Islam) en de godsdienst (bayan) vormen, zijn beide de waarheid.

والإيمان واحد ، وأهله في أصله سواء ، والتفاضل بينهم بالخشية والتقى ، ومخالفة الهوى ، وملازمة الأولى
Iman is één; een ieder die iman heeft (in de Islam gelooft), is (in de grondbeginselen van de iman) gelijk aan elkaar. De voortreffelijkheid onder de muslims is (alleen) vanwege hun angst (in opstand te komen tegen Allah) (khashiyah),devotie (taqwa’), vermijding van hun lust gevoelens (hawa’) en vastklamming aan de essentiële dingen (van de islam).

والمؤمنون كلهم أولياء الرحمن ، وأكرمهم عند الله أطوعهم وأتبعهم للقرآن
Alle mu’mins zijn Rahmans (Allahs) vriend (awliya ar-rahman). De eminente onder jullie zijn degenen die gehoorzaam zijn aan Allah en de Qur’an volgen.

والإيمان ‏:‏ هو الإيمان بالله ، وملائكته ، وكتبه ، ورسله ، واليوم الآخر ، والقدر خيره وشره ، وحلوه ومره من الله تعالى ‏
De (zuilen van de) iman zijn: geloven in Allah, in Zijn engelen, in Zijn Boeken, in Zijn profeten, in de laatste Dag (yawmi-l akhira), in de opstanding uit de dood (ba’th) en de Beschikking (qadar), m.a.w dat het goede en het kwade, het bittere en het zoete van Allahu Ta’ala komt.

ونحن مؤمنون بذلك كله ، لا نفرق بين أحد من رسله ، ونصدقهم كلهم على ما جاؤوا به
Wij geloven in dit alles en wij maken geen onderscheid tussen Zijn gezanten. Alles wat zij van Hem hebben gebracht bevestigen wij.

DEEL 15: “GROTE MOSLIM ZONDARE ZULLEN NIET VOOR ALTIJD IN DE HEL VERBLIJVEN”

وأهل الكبائر من أمة محمد صلى الله عليه وسلم في النارلا يخلدون ، إذا ماتوا وهم موحدون ، وإن لم يكونوا تائبين ، بعد أن لقوا الله عارفين مؤمنين ‏.‏ وهم في مشيئته وحكمه ‏:‏
Degenen onder de gemeenschap van Muhammad (sas), die grote zonden (kabair) hebben begaan, zullen niet voor altijd in de hel (nar) blijven, al hebben ze geen berouw (voor hun zonden) getoond. Dit geldt alleen als ze iman hebben gedaan en Allah als hun godheid (ilah) hebben erkend en met deze tawhid geloof gestorven zijn. Ze zijn afhankelijk van Allahs Wil (mashiah) en Oordeel (hukm).

إن شاء غفر لهم وعفا عنهم بفضله ، كما ذكر عز وجل في كتابه ‏:‏ ‏(‏ويغفر ما دون ذلك لمن يشاء ‏)‏ ‏
Als Hij wil kan Hij met Zijn goedertierenheid (fadhl) hen vergeven en hun zonden kwijtschelden, zoals het in Zijn Boek vermeld staat:(Nederlandse betekenis) “Waarlijk Allah vergeeft het verenigen van andere 22godheden met hem (shirk) niet, en vergeeft wat behalve dat aan wie Hij wil”. (Nisa’4/48).

وإن شاء عذبهم في النار بعدله ، ثم يخرجهم منها برحمته ، وشفاعة الشافعين من أهل طاعته ، ثم يبعثهم إلى جنته ، وذلك بأن الله تعالى تولى أهل معرفته ، ولم يجعلهم في الدارين كأهل نكرته ؛ الذين خابوا من هدايته ، ولم ينالوا من ولايته ،
Als Hij wil kan Hij hen met Zijn rechtvaardigheid (’adl) in de hel straffen. Vervolgens kan hij hen met Zijn Barmhartigheid (Rahmah) en met de voorspraak (shafa’ah) van (aan Allah) gehoorzamende bemiddelaars, uit de hel verlossen en hen in het paradijs opnemen. Allahs behandeling (van de grote zondaars) is vanwege het feit dat Hij de vriend is van degenen die Hem (als hun godheid) erkennen. Hij stelt deze dienaren (grote zondaars onder de muslims) niet gelijk aan degenen die Allahs “hidayah” (weg van de Islam) hebben kwijtgeraakt en niet in aanmerking wilden komen voor Zijn vriendschap.

اللهم يا ولي الإسلام وأهله ثبتنا على الإسلام حتى نلقاك به
O, Allah de Heerser en vriend van de Islam en zijn volgelingen (muslims) maak ons standvastig in de Islam totdat we U ontmoeten!

ونرى الصلاة خلف كل بر وفاجر من أهل القبلة ، ونصلي على من مات منهم
Het verrichten van de salat achter (elk lid van de) Ahl-i Qiblah, al is hij een goede (birr) of een slechte (fadjir) (voorganger) en het verrichten van de doodssalat over hen vinden wij toegestaan.

ولا ننزل أحدا منهم جنة ولا نارا ، ولا نشهد عليهم بكفر ولا بشرك ولا بنفاق ، ما لم يظهر منهم شيء من ذلك ، ونذر سرائرهم إلى الله تعالى
Wij wensen geen van hen (Ahl-i Qiblah) het paradijs noch de hel toe. Wij getuigen niet dat ze ongelovig (kafir), polytheist (mushrik) of huichelaar (munafiq) zijn geworden, zolang ze geen deelgenoten aan Allah toekennen (shirk), geen zaken doen die leiden tot ongeloof (kufr) of geen huichelarij (nifaq) verrichten. Wij verwijzen hun verborgenheden naar Allahu Ta’ala.

ولا نرى السيف على أحد من أمة محمد صلى الله عليه وسلم إلا من وجب عليه السيف
Wij vinden het niet toegestaan dat het zwaard getrokken wordt tegen één van de leden van de Gemeenschap van Muhammad (s.a.s)(om te doden), behalve degene die het zwaard (doodstraf) verdient.

DEEL 16: “GEHOORZAAMHEID AAN DE MOSLIM LEIDERS”

ولا نرى الخروج على أئمتنا وولاة أمورنا وإن جاروا ، ولا ندعوا عليهم ولا ننزع يدا من طاعتهم ،‏
Wij zullen niet in opstand komen tegen onze imams (khalifah) die onze (Islamitische) staat regeren en ook niet tegen onze (mu’min) bestuurders, die onze zaken runnen, al doen ze ons onrecht aan.

ونرى طاعتهم من طاعة الله عز وجل فريضة ، ما لم يأمروا بمعصية ، وندعوا لهم بالصلاح والمعافاة
Wij zullen niet vijandig zijn tegen hen en wij zullen niet nalaten hen te gehoorzamen. Wij vinden het verplicht hen te gehoorzamen, alsof we Allah, die Verheven is, gehoorzamen. (dat doen we) zolang ze ons niet het slechte aanbevelen. Wij bidden (du’ah) tot Allah dat ze goed en beter mogen worden.

DEEL 17: “VASTHOUDEN AAN AHLUS SUNNAH WAL JAMA’AH”

ونتبع السنة والجماعة ، ونجتنب الشذوذ والخلاف والفرقة
Wij volgen de sunnah en de (ahl-i Sunnah wa’l Djaina’ah) gemeenschap en wij houden ons verre van deviatie, verdeeldheid en sekte vorming.

ونحب أهل العدل والأمانة ، ونبغض أهل الجور والخيانة
Wij houden van rechtvaardige, eerlijke en betrouwbare mensen en wij haten onrechtvaardige, oneerlijke en onbetrouwbare mensen die ons vertrouwen misbruiken.

ونقول ‏:‏ الله أعلم فيما اشتبه علينا علمه
Over onderwerpen die moeilijk zijn of waar we onmogelijk uit kunnen komen, zeggen wij: ” Allah weet het best (Allahu a’lam) (en geloven zoals het er staat)”.

ونرى المسح على الخفين في السفر والحضر ، كما جاء في الأثر
Wij vinden het juist dat tijdens het reizen of het verblijf in het woongebied, (i.p.v. de voeten geheel te wassen) met natte handen over ledere sokken gestreken kan worden.

DEEL 18: “HAJJ EN JIHAAD BLIJVEN TOT DE DAG DES OORDEELS”

والحج والجهاد ماضيان مع أولي الأمر من المسلمين ، برهم وفاجرهم إلى قيام الساعة ، لا يبطلهما شيء ولا ينقضهما
De bedevaart (Hadj) en de “djihad” (strijd op weg van Allah) zijn twee verplichtingen die tot de Dag des Oordeels continu zal worden verricht. Het gebeurt onder leiding van “ulu-l amr” (mu’min regeerders van de muslim gemeenschap), het doet er niet toe of ze (’ulu-l amr) goed of slecht zijn. Deze twee verplichtingen kunnen noch afgeschaft noch gereformeerd worden.

DEEL 19: “GELOOF IN DE ENGELEN”

ونؤمن بالكرام الكاتبين ، فإن الله قد جعلهم علينا حافظين ‏
Wij geloven dat de “kirama-l katibin” (engelen) door Allah aangesteld zijn om ons te beschermen (en op te schrijven wat we doen).

ونؤمن بملك الموت الموكل بقبض أرواح العالمين
Wij geloven in de “malaku-l mawt” (doods engel) die aangesteld is de zielen (ruh, m.v.: arwah) van alle levende wezens te nemen.

وبعذاب القبر لمن كان له أهلا ، وسؤال منكر ونكير في قبره عن ربه ودينه ونبيه ، على ما جاءت به الأخبار عن رسول الله صلى الله عليه وسلم ، وعن الصحابة رضوان الله عليهم ‏.‏
Wij geloven in de bestraffing (’athab) en beloning (na’imah) (van de gestorvenen) in het graf(sleven) van degenen die het verdiend hebben. En we geloven ook in de “munkar” en “nakir” engelen, die in het graf naar iemands Rabb, din (godsdienst) en nabi (profeet) zullen vragen. Dit hebben we vernomen van de berichten afkomstig van Rasul-lullahs (sas) ahadith en van zijn ashab (r.a.)

والقبر روضة من رياض الجنة ، أو حفرة من حفر النيران‏
(Als een overledene in zijn) graf (qabr) (wordt gelegd) wordt (het) of een tuin onder de tuinen van het paradijs of een kuil onder de kuilen van de hel.

DEEL 20: “GELOOF IN DE DAG DES OORDEELS”

ونؤمن بالبعث وجزاء الأعمال يوم القيامة ، والعرض والحساب ، وقراءة الكتاب ، والثواب والعقاب ، والصراط والميزان
Wij geloven in de wederopstand na de dood (ba’th), de bestraffing t.g.v. de (slechte) daden, de Dag des Oordeels, de ondervraging en de vereffening van de daden (die hier op aarde zijn verricht), het Boek (waarin de daden zijn genoteerd) dat gelezen zal worden, de beloning (thawab), de bestraffing (’uqab) die uitgedeeld zal worden, de “sirat” (”de brug” die gespannen is over de hel) en de “mizan” (”de weegschaal”die de daden (goede en slechte) zal wegen).

DEEL 21: “PARADIJS EN HEL”

والجنة والنار مخلوقتان ، لا تفنيان أبدا ولا تبيدان ، وإن الله تعالى خلق الجنة والنار قبل الخلق ، وخلق لهما أهلا ،
De djannah (paradijs) en de nar (hel) zijn later geschapen (mahluq) en ze zullen nooit eindigen of niet- zijn. Allahu Ta’ala heeft de djannah en de nar geschapen voordat Hij de schepselen (khalq) schiep. Hij schiep daarna hun bewoners.

فمن شاء منهم إلى الجنة فضلا منه ، ومن شاء منهم إلى النار عدلا منه ، وكل يعمل لما قد فرغ له ، وصائر إلى ما خلق له
Hij kan met zijn goedertierenheid degenen naar de djannah sturen, die Hij wil en met Zijn rechtvaardigheid kan Hij degenen in de hel stoppen, die Hij wil. Trouwens, ieder mens zal de werken verrichten die voor hem is bestemd waarmee hij de djannah of de nar heeft verdiend. Het goede (khayr) en het kwade (shar) zijn (van te voren) voor de schepping al voorbestemd en voorgeschreven (muqaddar). (m.a.w. een mens kan alleen datgene verrichten dat door Allah is voorbestemd en bepaald maar in geen van beiden kan hij door Allah gedwongen worden het te verrichten.)

DEEL 22: “HANDELINGEN VAN DE DIENAREN”

والاستطاعة التي يجب بها الفعل من نحو التوفيق الذي لا يجوز أن يوصف المخلوق به ، فهي مع الفعل ،
De istita’ah (kracht en vermogen) die noodzakelijk is bij het tot stand komen van een fi’il (actie, handeling) is samen met die fi’il. Uit het oogpunt op het definitieve succes van de desbetreffende zaak, kan deze istita’ah bij het tot stand komen van een fi’il niet aan de geschapenen toegeschreven worden.

وأما الاستطاعة من جهة الصحة والوسع والتمكن وسلامة الآلات فهي قبل الفعل ، وبها يتعلق الخطاب ، وهو كما قال تعالى ‏:‏ ‏(‏ لا يكلف الله نفسا إلا وسعها ‏)‏
Maar met betrekking tot “sihhah” (gezondheid), vermogen, voor de fi’il geschikte omstandigheid en gezondheid van de organen is de istita’ah voor de fi’il aanwezig. De vermelding (in de Qur’an), die een persoon aan zijn verantwoordelijkheden herinnert, is hieraan verbonden. Vandaar dat Allahu Ta’ala zegt:(Nederlandse betekenis) “Allah legt niemand een plicht op behalve zoveel zijn vermogen het hem toestaat.” (Baqarah 2/286)

وأفعال العباد خلق الله ، وكسب من العباد
Allah schept de handelingen (af’al) van de dienaren, en de dienaren verdienen het.

DEEL 23: “ALLAH IS DE BRON VAN ALLE KRACHT”

ولم يكلفهم الله تعالى إلا ما يطيقون ، ولا يطيقون إلا ما كلفهم ، وهو تفسير لا حول ولا قوة إلا بالله ،
Allahu Ta’ala legt alleen een plicht op zoveel het vermogen van de dienaren aankan. En zij kunnen alleen die plichten aan die Hij hen aanbiedt. Dat is de uitleg van: “La hawla wa la quwwata illa billah.” (het vermogen en de macht is alleen bij Allah).

نقول ‏:‏ لا حيلة لأحد ، ولا حركة لأحد ، ولا تحول لأحد عن معصية الله إلا بمعونة الله ، ولا قوة لأحد على إقامة طاعة الله والثبات عليها إلا بتوفيق الله
Wij zeggen: “Als iemand zich beschermt tegen het in opstand komen tegen Allah, heeft hij noch het vermogen, noch de impuls en noch een uitweg (dit te doen) behalve met de hulp van Allah (ta’at Allah). De gehoorzaamheid aan Allah en de continuering in Zijn gehoorzaamheid kan ook alleen met Zijn toestemming tot succes leiden (tawfiqa’llah).

وكل شيء يجري بمشيئة الله تعالى وعلمه وقضائه وقدره ، غلبت مشيئة المشيئات كلها ، وغلب قضاؤه الحيل كلها ،
Alles komt tot stand door Allahs wil (mashi’ah), Zijn kennis (’ilm), Zijn raadsbesluit (qadha) en Zijn voorbeschikking (qadar). Allahs wens (mashi’ah) overtreft alle andere wensen. Zijn qadha overtreft alle andere listen.

يفعل ما يشاء وهو غير ظالم أبدا ، تقدس عن كل سوء وحين ، وتنزه عن كل عيب وشين ، لا يسأل عما يفعل وهم يسألون
Allah doet wat Hij wil en is nooit en te nimmer (abadan) onrechtvaardig (zalim). Hij is vrij van alle slechtheden en onrechtvaardigheden, schande (ayb) en schaamte (shain):(Nederlandse betekenis) “Hij kan niet ondervraagd worden omtrent hetgeen Hij doet doch zij (de dienaren) zullen worden ondervraagd (omtrent hetgeen zij doen) “.(Anbiya/23).

وفي دعاء الأحياء وصدقاتهم منفعة للأموات
De gebeden (du’a) die de levenden doen en de aalmoezen (sadaqah) (die ze geven), zullen baat hebben voor hun overledenen.

والله تعالى يستجيب الدعوات ويقضي الحاجات
Allahu Ta’ala (verhoort en) beantwoordt de gebeden (da’wat) en voorziet de behoeften (van ieder).

DEEL 24: “ALLAAH IS DE RIJKE EN WIJ ZIJN BEHOEFTIG AAN HEM”

ويملك كل شيء ولا يملكه شيء ، ولا غنى عن الله تعالى طرفة عين ، ومن استغنى عن الله طرفة عين فقد كفر ، وصار من أهل الحين ‏.‏
Allah is de bezitter van alles. Daarentegen kan niets Hem bezitten. Niets kan onafhankelijk van Hem worden, zelfs niet in een fractie van tijd bij het knipperen van een oog. (Als iemand gelooft dat het mogelijk is) dat men binnen een fractie van een seconde onafhankelijk van Allah kan zijn, vervalt men in ongeloof en behoort men tot degenen die in schade leven.

والله يغضب ويرضى لا كأحد من الورى
Allahu Ta’ala kan boos (yaghdhabu) en tevreden (yardha) worden. Maar deze lijken niet op die van de mens.

DEEL 25: “LIEFDE VOOR DE SAHABA”

ونحب أصحاب رسول الله صلى الله عليه وسلم ، ولا نفرط في حب أحد منهم ، ولا نتبرأ من أحد منهم ، ونبغض من يبغضهم ، وبغير الخير يذكرهم ، ولا نذكرهم إلا بخير ،
Wij houden van de Metgezellen (ashab) van Rasul-lullah (sas) Wij keren noch onze rug naar één van hen toe, noch gaan wij te ver in onze liefde voor één van hen. Wij haten degenen die hen haten en dingen tegen hen zeggen die buiten het goede valt. Wij gedenken hen alleen met het goede.

وحبهم دين وإيمان وإحسان ، وبغضهم كفر ونفاق وطغيان
Ons liefde voor hen behoort tot onze godsdienst (din), geloof (iman) en oprechtheid in het geloof (ihsan). Haat tegen hen is ongeloof (m.a.w. ongelovig zeggen tegen eminente sahaba) huichelarij (nifaq) en opstandigheid (tughyan).

ونثبت الخلافة بعد رسول الله صلى الله عليه وسلم أولا لأبي بكر الصديق رضي الله عنه تفضيلا له وتقديما على جميع الأمة ، ثم لعمر بن الخطاب رضي الله عنه ، ثم لعثمان رضي الله عنه ، ثم لعلي بن أبي طالب رضي الله عنه ، وهم الخلفاء الراشدون والأئمة المهتدون
Wij accepteren en zeggen dan ook dat na Rasul-lullah (s.a.s.), Abu Bakr as Siddiq (r.a) het khalifaatschap bekleedde en dat hij de voortreffelijkste en vooraanstaande persoon is onder de gemeenschap van Muhammad (s.a.s), vervolgen hebben `Umar ibn-i Khattab (r.a), `Uthman ibn-i ‘Affan (r.a) en tenslotte `Ali ibn-i Talib (r.a) de khalifaatschap bekleed. Zij worden de Khalifa-i Rashidun (de rechtgeleide khaliefen) genoemd en zij waren de imams die de mensen naar het rechte pad en verlossing hebben geleid.

وأن العشرة الذين سماهم رسول الله صلى الله عليه وسلم وبشرهم بالجنة نشهد لهم بالجنة ، على ما شهد لهم رسول الله صلى الله عليه وسلم ، وقوله الحق ، وهم ‏:‏ أبو بكر ، وعمر ، وعثمان ، وعلي ، وطلحة ، والزبير ، وسعد ، وسعيد ، وعبد الرحمن بن عوف ، وأبو عبيدة بن الجراح ؛ وهو أمين هذه الأمة رضي الله عنهم أجمعين ‏.‏
Wij getuigen dat (onder andere) tien metgezellen (sahaba) door Rasul-lullah (s.a.s) met de djannah (paradijs) gelukzaligd zijn (tijdens hun leven) en ze zullen met Rasul-lullahs getuigenis de djannah binnentreden. Rasul-lullahs woord is de waarheid. Deze tien metgezellen zijn: Abu Bakr, `Umar, `Uthman, `Ali, Talha, Zubayr, Sa`ad, Sa`id,`Abdurrahman bin Awf en `Ubaydah bin al-Djarrah (radiy’allahu alayhim adjma`in: moge Allah tevreden zijn met hen allen).

ومن أحسن القول في أصحاب رسول الله صلى الله عليه وسلم وأزواجه الطاهرات من كل دنس وذرياته المقدسين من كل رجس ؛ فقد برئ من النفاق
Degenen die alleen goede dingen zeggen over Rasul-lullahs metgezellen, zijn reine echtgenoten (azwadja-i tahirat) en zijn nageslacht, heeft zich gedistantieerd van huichelarij (nifaq).

وعلماء السلف من السابقين ، ومن بعدهم من التابعين أهل الخير والأثر ، وأهل الفقه والنظر ، لا يذكرون إلا بالجميل ، ومن ذكرهم بسوء فهو على غير السبيل
Wij zeggen niets anders dan goede dingen over de sahaba, tabi’un (de metgezellen van de sahaba), degenen die na hen kwamen die oprecht waren en (goede) werken achterlieten, de fuqaha (wetgeleerden) en de redenaars (nadhar onder de salaf (voorgeslacht) geleerden. Degenen die slechte dingen over hen zeggen, zijn van het rechte pad afgedwaald.

DEEL 26: “ANBIYA (PROFETEN) ZIJN BETER DAN DE AWLIYA (HEILIGEN)”

ولا نفضل أحدا من الأولياء على أحد من الأنبياء عليهم السلام ، ونقول ‏:‏ نبي واحد أفضل من جميع الأولياء ‏.‏ ‏
Wij verheffen geen van de ‘awliya’ (letterlijk: de vrienden van Allah, in de volkstaal: zeer vrome mu’mins) boven geen van de profeten. Volgens ons is één van de profeten voortreffelijker dan welke ‘awliya’ dan ook.

ونؤمن بما جاء من كراماتهم ، وصح عن الثقات من رواياتهم
Wij geloven in de wonderen (karamat) van de ‘awliya’ en de berichten, die door betrouwbare overleveraars zijn overleverd, over hen (en hun wonderen) accepteren wij ook.

DEEL 27: “TEKENEN VAN HET UUR”

ونؤمن بأشراط الساعة منها ‏:‏ خروج الدجال ، ونزول عيسى ابن مريم عليه السلام من السماء ، ونؤمن بطلوع الشمس من مغربها ، وخروج دابة الأرض من موضعها
Wij geloven in de verschijning van de Dadjdjal (anti-christ), de nederdaling van ‘Isa (a.s) als de tekenen van het Uur. Wij geloven ook in de opkomst van de zon vanuit het westen en de opstanding van Dabbatu-l `Ard (een soort dier dat uit aarde zal opstaan en tot de mensen zal spreken) (als de grote tekenen van het Uur).

DEEL 28: “WAARZEGGERS ZIJN LEUGENAARS”

ولا نصدق كاهنا ولا عرافا ، ولا من يدعي شيئا يخالف الكتاب والسنة وإجماع الأمة
Wij bevestigen noch de waarzeggers, noch de astrologen en noch degenen die buiten het Boek, de Sunnah en de idjma’a-ummah (consensus van de geleerden in de gemeenschap) iets beweren (en in strijd zijn met deze drie bronnen).

ونرى الجماعة حقا وصوابا ، والفرقة زيغا وعذابا
Wij zien eenheid en saamhorigheid als de waarheid (haqq) en goedheid (sawab); verdeeldheid zien wij als dwaling en bestraffing.

DEEL 29: “ALLAH’S GODSDIENST IS ALLEEN ISLAAM”

ودين الله في الأرض والسماء واحد ، وهو دين الإسلام ، قال الله تعالى ‏:‏ ‏(‏ إن الدين عند الله الإسلام ‏)‏ ، وقال تعالى ‏:‏ ‏(‏ورضيت لكم الإسلام دينا ‏)‏
Hier op aarde en in de hemelen is Allahs godsdienst één en dat is de godsdienst Islam. Allahu Ta’ala zegt (Nederlandse betekenis):” Waarlijk de (ware) godsdienst bij Allah is de Islam” (al-i Imran:19) en ” En voor jullie is de Islam als godsdienst gekozen” (Maidah: 3).

وهو بين الغلو والتقصير ، وبين التشبيه والتعطيل ، وبين الجبر والقدر ، وبين الأمن والإياس ‏.‏
De Islam is een middenweg tussen overmaat (ghulu) en deficiëntie (taqsir) (in het nakomen van godsdienstige verplichtingen); tussen tashbih (anthropomorfisme in het Wezen en eigenschappen van Allah) en ta’dil (alle eigenschappen van Allah ontkennen); tussen djabr (mens heeft helemaal geen invloed op het verrichten van zijn handelingen n.l. fatalisme) en qadar (de mens heeft al zijn handelingen in zijn hand, hij is zelf de schepper van zijn eigen daden, m.a.w. de qadar wordt verworpen); tussen ‘amn (zekerheid) en ya’s (wanhoop) (op Allahs oordeel).

DEEL 30: “TEN SLOTE”

فهذا ديننا واعتقادنا ظاهرا وباطنا ، ونحن براء إلى الله من كل من خالف الذي ذكرناه وبيناه ،
Dit geheel is onze godsdienst (din) en geloofsleer (i’tiqad) in al zijn openheid (dhahira) en verborgenheid (batina). Wij zijn verre van degenen die in tegenspraak zijn met de geloofsprincipes die we hierboven hebben beschreven.

ونسأل الله تعالى أن يثبتنا على الإيمان ، ويختم لنا به ، ويعصمنا من الأهواء المختلفة ، والآراء المتفرقة ، والمذاهب الردية ، مثل المشبهة والمعتزلة والجهمية والجبرية والقدرية وغيرهم ؛ من الذين خالفوا السنة والجماعة ، وحالفوا الضلالة ، ونحن منهم براء ، وهم عندنا ضلال وأردياء
Wij wensen van Allahu Ta’ala dat Hij ons continueert in de Islam, onze laatste adem uit laat blazen met de Islam, ons weerhoudt van onze slechte begeertes en van onjuiste ideeën van: Mushabbih (sekte die tashbih geloofsgedachte aanhangt), Mu’tazilah (sekte die ta’dil geloofsgedachte aanhangt), Djamiyyah, Djabriyyah (sectes die djabr geloofsgedachte aanhangen), Qadariyyah (sekte die qadar geloofsgedachte aanhangt) en alle andere sectes, die nieuwlichterij (bid`ah) (in geloofsprincipes) hebben geïntroduceerd en van het rechte pad afgedwaald zijn . Ze hebben tegen de Ahl-i Sunnah geopponeerd. Wij zijn verre van hen (en hun ideeën). Volgens ons zijn zij in dwaling (dhalala) en ze zijn schadelijk (radiya) (met hun ideeën).

وبالله العصمة والحمد لله رب العالمين‏
Preventie (’ismah) (tegen onwetenden) en succes (tawfiq) (op de waarheid) komt alleen van Allah. Wal hamdulillahi rabbil ‘alamin (lof is aan Allah, de Heer der heelal).

{PS: Vertaald naar het Nederlands door: Drs. I. Bayrak}

Artikels in deze reeks:

Op zoek naar verdieping?

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *